Naar AI toe rennen of eromheen lopen? De NVJ kiest een derde weg
De medeauteur van het standaardwerk over journalistieke principes vindt dat redacties naar AI toe moeten rennen, anders overkomt het ze. Een van zijn critici zegt dat je daarmee weggeeft wat journalistiek onderscheidt van willekeurige tekstproductie. In Nederland wordt die botsing niet uitgevochten maar vastgelegd: geen publicatie zonder mens aan begin en einde.
Dit artikel is geschreven door AI.

Tom Rosenstiel schreef in 2001 samen met Bill Kovach het boek waaruit generaties verslaggevers hun principes leerden: de waarheid eerst, verificatie als discipline, de macht controleren. In zijn nieuwe boek The Next Journalism staat een zin die dat handboek een andere kant op duwt. “journalism must run toward Artificial Intelligence, not away from it, to make journalism stronger”, schrijft de hoogleraar aan de University of Maryland volgens Columbia Journalism Review. Hij verwacht zelf dat het wrijving oplevert.
Wat hij bedoelt is smaller dan de zin klinkt. “I’m not advocating having AI write stories”, zegt Rosenstiel tegen Columbia Journalism Review. Zijn voorstel: redacties voegen de stapels publieke data over het leven in een gemeenschap samen tot één hub die steeds bijwerkt, en laten het publiek die zelf doorzoeken met een chatbot. Hij noemt ook het auditen van de eigen verslaggeving op ondervertegenwoordigde gemeenschappen en het opsporen van onware uitspraken van politici, die daarna gecheckt kunnen worden. Technologie als verlengstuk van menselijke journalistiek, niet als vervanger.
Het argument eronder is een dreiging. “If we say, ‘AI is bad, I don’t want to use it,’ it will happen to us”, zegt Rosenstiel in Columbia Journalism Review. Blijven serieuze journalisten weg, dan nemen partijen zonder beroepsethiek het veld in, die nieuws beloven zonder de standaarden erbij. Hallucinaties, bias en de milieu-impact erkent hij; de modellen worden beter, voert hij aan.
Wat onderscheidt journalistiek dan nog?
Courtney C. Radsch, directeur van het Center for Media and Digital Governance bij het Open Markets Institute, keert die redenering om. “But the idea that we can use it in the creation and production of journalism, I think, is very problematic—because then what differentiates journalism from anyone else who uses an LLM to create content?”, zegt ze tegen Columbia Journalism Review. Precies dat onderscheid tussen journalistiek en iedere andere tekstproducent staat volgens haar op het spel. In administratieve functies mag het van haar, in het redactionele proces niet.
Ze wijst daarbij op twee dingen die een redactie niet zelf kan controleren. Statelijke actoren zoals Rusland richten informatieoperaties op taalmodellen. En de gevolgen van de ideologische vooroordelen die in een model zitten zijn moeilijk te identificeren.
De cijfers geven haar op één punt gelijk. De EBU testte met twintig Europese publieke omroepen hoe accuraat chatbots nieuws weergeven. In 45 procent van de gevallen zaten er fouten in, meldde Villamedia in november 2025. Dat is de stand die redacties nu voor zich hebben.
CJR-auteur Jem Bartholomew komt tot een derde positie: de verstandigste aanpak is waarschijnlijk die redacties al hanteren, niet naar de glimmende dingen toe rennen maar er voorzichtig omheen lopen en verifiëren of ze de moeite waard zijn.
In Europa gaat het incrementeel
Felix M. Simon van het Reuters Institute keek naar Europese nieuwsorganisaties en concludeerde in een rapport voor Aspen Digital dat ze AI incrementeel invoeren, niet als revolutionaire omwenteling. De nadruk ligt op efficiëntie: transcriptie, vertaling, koppen maken. De houding noemt hij in Columbia Journalism Review “a mixture of caution and excitement, with the latter seemingly more pronounced at the senior leadership level”. Enthousiasme dus vooral aan de top. Dat rapport is van maart vorig jaar en niet specifiek Nederlands.
Simon vond ook iets dat tegen Rosenstiels dreiging in gaat. Er ontstaat juist een premie op onderscheidend werk van mensenhand dat AI niet makkelijk namaakt: origineel onderzoeksjournalistiek werk, genuanceerde analyse, verhalen die voortkomen uit langdurige relaties met een gemeenschap. Sommige uitgevers denken volgens Simon nu dat ze iets moeten bieden “that is unique, that people cannot easily get elsewhere, and that people are willing to pay for”.
Nederland legt de grens vast in plaats van te kiezen
De Nederlandse afweging is geen keuze voor of tegen omarmen, maar een poging het gesprek te organiseren. De NVJ publiceerde in juli 2026 een modelrichtlijn AI plus een AI-bepaling voor redactiestatuten. “Er zijn in de praktijk redacties die eigenlijk niets met AI willen doen en redacties die zeggen: doe maar alles, want dat scheelt werk. Beide zijn uitersten”, zegt NVJ-belangenbehartiger Nick Kivits, die aan beide documenten meewerkte.
De principes in de richtlijn trekken de grens waar Radsch op hamert en die Rosenstiel zegt niet te willen overschrijden. Mens-machine-mens: geen enkele publicatie komt tot stand zonder menselijke tussenkomst aan begin én einde. Eindverantwoordelijkheid blijft bij de hoofdredactie, ongeacht de rol van AI in het productieproces. En redacties spreken af wanneer vermelding van AI-gebruik vereist is en hoe die eruitziet. De richtlijn is vooral bedoeld voor kleine redacties, collectieven en freelancers; grote uitgevers hebben eigen richtlijnen die voorrang houden.
Het eigen accent zit in de vraag waar je zo’n afspraak neerlegt. “Een richtlijn spreek je intern af. Maar zo’n richtlijn is ook vrij eenvoudig aan te passen. Een directie kan zeggen: leuk dat dit erin staat, maar we willen het anders doen. Een bepaling in een redactiestatuut verander je niet zomaar”, zegt Kivits tegen Villamedia. In de Amerikaanse analyse komt dat terug via vakbondsleden die AI-afspraken in hun contracten bevechten, via de uitgeverscoalitie SPUR en via de EU AI Act. Hier kan elke redactieraad het instrument pakken.
Hoeveel Nederlandse redacties de bepaling inmiddels hebben overgenomen, is niet vastgelegd, en cijfers over wie hier wat met AI doet evenmin.
Wie moet zich verantwoorden
Rosenstiel verwacht dat zijn pro-AI-standpunt in de journalistieke wereld op weerstand stuit. Laurens Vreekamp en Gabriella Obispa beschrijven in hun boek Niet onze AI het omgekeerde klimaat. “Maar het lijkt alsof je je moet verantwoorden wanneer je aarzelt, gezond kritisch bent en terecht vraagtekens stelt bij AI-toepassingen, omdat je blijkbaar tegen de stroom in gaat”, zeggen ze in Villamedia. Beide observaties kunnen kloppen: in de zaal met hoofdredacteuren geldt een andere stroom dan in de zaal met verslaggevers.
Hun advies aan journalisten is een werkinstructie. “Twijfel is je onderzoeksinstrument. Vraag door wanneer techbedrijven grootse beloftes maken, raadpleeg andere bronnen dan alleen de gebruikelijke techexperts, bied ruimte aan kritische stemmen uit de samenleving”, zeggen ze in Villamedia. Daarbij hoort volgens de auteurs dat je precies benoemt om welke technologie het gaat: een tekstanalyse-algoritme, een groot taalmodel, gezichtsherkenning of Excel-automatisering. AI als containerbegrip maakt elke discussie erover onbeslisbaar.
Daar zit het praktische verschil tussen de twee kampen. Rosenstiel en Radsch strijden over AI in het algemeen, en dat gevecht heeft in Nederland niemand overgenomen. De NVJ-richtlijn stelt een andere vraag: welke tool, voor welke stap, met wie erbij. Wie dat per geval invult, hoeft de grote vraag niet te beantwoorden.


